Altijd weer dat Indië

door Kester Freriks

“Er is veel geschreven over de gegoede samenleving in het voormalige Nederlands-Indië, vooral over de vervlogen tijden waarin het goed toeven was, het zogenaamde tempo doeloe. Maar die ‘goede oude tijd’ heb ik nauwelijks gekend, en de geschiedenis die daaraan gekoppeld is en zo graag door Hollanders wordt gelezen, is een leugen.”
Aan het woord is Arend Noland, de vaderfiguur uit de roman De tolk van Java door Alfred Birney. Deze zin is zoals het hele boek: heftig, polemiserend, ontmaskerend en aanvallend. De ondertitel luidt niet voor niets: ‘Autobiografische mokerslag die de clichés over Nederlands-Indië verpulvert.’ Birney’s boek is, net als zijn eerdere boek De dubieuzen (2012), een felle aanval op de blanke arrogantie in de Indonesische samenleving. Het is vreemd dat zijn werk niet de weerklank krijgt die het verdient. Op dit ogenblik krijgt elke exces van Nederlandse militairen tijdens de zo vergoelijkend genoemde politionele acties tussen 1945-1949, wat in werkelijkheid een keiharde oorlog was, volop de aandacht in de Nederlandse pers. Maar Birney’s roman weet om onbegrijpelijke redenen niet tot heftigheid te beroeren.

Tempo doeloe
Maar misschien zijn die redenen niet zo onbegrijpelijk. Vader Noland heeft gelijk als hij stelt dat die goede oude tijd van tempo doeloe ‘leugens’ bevat die de Nederlanders zo graag willen lezen. Onlangs schreef voormalig radiomaker John Jansen van Galen in Het Parool (22 oktober 2015) op reactionaire, schofferende wijze over de Nederlandse aanwezigheid in de oost die ‘óók avontuurzin en ondernemingslust’ zou zijn. Toegegeven, het ging over mijn boek Echo’s van Indië. De Indonesische onafhankelijkheid in verhalen en herinneringen. Maar de schok werd veroorzaakt doordat Van Galen vast is gelopen in hetzelfde tempo doeloe-syndroom dat de Nederlandse postkoloniale literatuur zo kenmerkt. Hij kan niet aanvaarden dat sommige auteurs de zwarte bladzijden van de koloniale tijd belichten. Na vier eeuwen bezetting en ophemeling van al die fantastische Nederlanders in de oost – lees: vier eeuwen onderdrukking – mag toch ook eens de tegenkant genoemd worden. Maar nee.
Van Galen en die andere nostalgici kunnen geen kwaad woord horen over onze aanwezigheid ginds. Ze roepen om nuance, maar feitelijk roepen ze alleen maar: ‘We hebben iets groots verricht.’ Ja, avontuurzin, heerlijke ondernemingslust en zelfs roemt Van Galen ‘gezondheidszorg’. Met geweld de Indonesische droom van onafhankelijkheid dwarsbomen en stelselmatig vernietigen. Kampongs met onschuldige Indonesische mensen platschieten. Of, zoals de titel luidt van de 900 bladzijden tellende studie van historicus Rémy Limpach naar de excessen: De brandende kampongs van generaal Spoor. Een onthullende en onthutsende titel.

Mokerslag
Kom niet aan het Indië van die gevoelige tempo doeloe-idealisten, je doet hen er zo veel kwaad mee. Maar waarom? Waarom mag de tegenstem niet gehoord worden? In dat syndroom is geen plek voor kritiek, zelfs niet anno 2016. Niet iedereen die een band heeft met het vroegere Indië zwelgt in heimwee, zoals Van Galen ons wil doen geloven.
Dezelfde Van Galen noemt Politionele Acties nog steeds de enige juiste term. Ik neem aan dat hij nachtmerries heeft gehad – ik hoop het zelfs – na lezing van Birney’s ‘mokerslag’. Maar tot nu toe is het boek in Van Galens Het Parool onbesproken gebleven. Roep om ‘nuance’ is net zoals destijds de roep om handhaving van ‘orde en rust’. Dat betekent niets anders dan bestendiging van de macht der kolonialen online premarin. Hoe genuanceerd waren de Nederlandse bestuurders en legerleiding om tienduizenden jongens van ternauwernood achttien jaar vol schone beloften naar de verre kolonie te sturen en velen van hen levenslang een trauma te bezorgen – en hun gezin, kinderen. Inderdaad, om met Birney te spreken: de tempo doeloe-verheerlijkers zijn geschiedvervalsers, onder wie Van Galen.
Meteen in het begin van de roman trekt Birney ten strijde tegen deze verzachtende woordkeus: “Propagandazooi. Verheerlijking van de technische vooruitgang van moordmachines. Verhullende termen voor een koloniale oorlog: de Politionele Acties. Geen wetenschapper, journalist of schrijver die dat uit die flutschoolboeken krijgt.” En verder: „Helaas kennen ze hier in Holland geen kritische zelfreflectie. Ze leuteren maar wat over slaven, koelies, gastarbeiders en de kinderen van de koloniale liefde. Ooit verspreidden ze jullie eerste generatie Indischen over gans het land: in elke straat één Indische familie was zo’n beetje het quotum in de jaren vijftig.”
Die ‘mokerslag’ die Birney de lezer in het vooruitzicht stelt is niet gering. Bladzijde na bladzijde behelst zijn boek een tirade tegen de onuitroeibare overtuiging over de zegeningen die de Nederlandse overheersing bracht. Welbewust situeert hij de roman in de nadagen van de koloniale tijd, waarin Nederland met moordmachines vocht om de kolonie te behouden. Iedereen kent de afloop: volkomen vergeefs. Het is vooral de stem van zijn vader Arend Noland (what’s in a name?) die klinkt, agressief, indringend, boosaardig. Maar ook goudeerlijk.

Schaduwboek
Birney heeft na zoveel boeken van grote kwaliteit en inzet een rekening te vereffenen met postkoloniaal Nederland die zijn boeken ofwel onverschillig bejegent of, nog erger, ongelezen laat. Ooit, in de jaren tachtig, woedde in Nederlands-Indische kringen een polemiek tussen Jeroen Brouwers en Rudy Kousbroek. De eerste bestond het de Japanse interneringskampen te vergelijken met Duitse kampen uit de Tweede Wereldoorlog. Daartegen kwam Kousbroek in het geweer. Uiteindelijk ging het om veel meer dan die kampen, het ging erom dat de herinneringen aan Nederlands-Indië mooi en gaaf moesten blijven (Kousbroek), en niet vol schaduw.
Birney schreef een schaduwboek. Hedendaagse reizigers naar Indonesië zullen niet meteen met deze zwarte kant geconfronteerd worden of willen worden, maar het hoort wel degelijk bij het Indonesië van nu. Op tal van pleinen en pasars, de markten, zijn monumenten te zien van de strijd tegen de Nederlanders voor onafhankelijkheid. Daar kan geen reiziger aan ontkomen. Velen weten niet in welke context die monumenten bekeken moeten worden.
Die van een hevige strijd dus. Ik prijs de dapperheid en de moed van Birney dat hij De tolk van Java heeft geschreven en flink schopt tegen gevoelige schenen van koloniale Nederlanders. Als er een schrijver in Nederland is die het poskoloniale debat kan aanwakkeren, dan is dat Alfred Birney met deze meedogenloze roman. Nog een citaat om aan te geven hoe gewelddadig de strijd was, niks ‘avontuurzin’ of keurige politionele actie; dit gaat over de tweede actie, operatie Kraai (19-12-1948 – 5 januari 1949: „(Nederlandse) mariniers waren opgeleid voor een totale oorlogvoering. Maar dit was een guerillaoorlog. Dus waren de Indonesiërs in het voordeel. Dit was hun land.”
En hoe noemden Indonesiërs dit militaire wanhoopsoffensief van Nederlandse zijde? Agresi Militer Belanda. Waarvan acte. Mijn punt is niet alleen dat er nauwelijks sprake is van polemiek, erger nog is dat nieuwe generaties belangstellenden voor de Indonesische archipel en reizigers erheen telkens met die allang vervlogen standpunten opgesteld door de nostalgiepolitie worden geconfronteerd. Hiermee snijden zij nieuwe visies de pas af.

_TerVerzending

Alfred Birney
De tolk van Java
De Geus, € 22,50

Be the first to comment on "Altijd weer dat Indië"

Leave a comment