Bhutan buldert voort

Bhutan, Thimphu, traditioneel boogschieten

Bhutan: Behoud van natuur en cultuur staat voorop in bergstaat

Ingeklemd tussen de giganten India en China ligt het kleine Bhutan, het laatste zelfstandige koninkrijkje in de Himalaya-regio. Bhutan biedt een wereld van stilte, met majestueuze bergen, bossen, traditionele dorpen, machtige dzongs (forten) en kloosters van boeddhisme bezield.

Tekst en beeld – Eildert de Boer

Daar waar de staatjes Ladakh, Sikkim en Mustang in de loop der tijd zijn opgeslokt door India en Nepal, heeft Bhutan zijn eigen soevereiniteit weten te behouden. Niet voor niets heet Bhutan in de landstaal Dzongkha, Druk Yul: de donderende draak. En met draken valt niet te spotten. Zeker niet als de donderende draak hulp krijgt van India in een grensconflict met China op het Doklam-plateau. Het Chinese Volksleger legt hier een weg aan die volgens India en Bhutan over Bhutans grondgebied loopt.

Eigenzinnig land

Bhutan is iets kleiner in landoppervlak dan Zwitserland. Met zijn bergpieken, valleien, schone lucht en woonhuizen in chaletvorm lijkt Druk Yul ietwat op Zwitserland, ook zo’n eigenzinnig land met relatief weinig criminaliteit.

Voor de rest houdt de vergelijking op: Zwitserland is rijk met een stevige moderne economie. Bhutan heeft een laag bruto nationaal product, is niet rijk, maar ook geen arm land. De meeste mensen wonen in goede huizen, hebben voldoende te eten en het tweetalige gratis onderwijs (in Engels en Dzongkha) is goed. Wel is er groeiende jeugdwerkloosheid, zoals in de snelgroeiende hoofdstad Thimphu. De meeste families werken traditioneel op het land en leven van de opbrengst. Het zijn vooral de ouderen die de arbeid verrichten. Jongeren, vaak goed opgeleid en Engels sprekend, willen dit niet en trekken naar de stad voor werk – wat er mondjesmaat is – of verkassen naar het buitenland.

Bruto Nationaal Geluk
In de jaren zeventig introduceerde koning Jigme Singye Wangchuck het Bruto Nationaal Geluk. Dat omvat de spirituele ontwikkeling, zorg voor milieu/natuur en aandacht voor cultuur. De koning wilde het land moderniseren en opbouwen; niet als doel op zichzelf, maar ten dienste van de unieke cultuur gebaseerd op boeddhistische geestelijke waarden. Het is een visie op ontwikkeling die moeilijk is te definiëren en te meten. Het gaat om welvaart in combinatie met geluk, niet om zo veel mogelijk te kunnen consumeren. Het beleid van duurzame ontwikkeling werd en wordt door zijn opvolgers voortgezet. Sinds 2008 is Bhutan een parlementaire democratie met de koning als staatshoofd en hoofd van de regering. De pijlers van het Bruto Nationaal Geluk blijven staan: bescherming van natuur en cultuur.

Schoolkinderen

Moderne tijd
Bhutan is een land met een traag tempo, waar ambtenaren zich kleden in een geruite morgenmantel (gho) met kniekousen en de vrouwen vrolijk gekleurde wikkeldoeken (kira) dragen. Veel huizen zijn rijkelijk versierd met fijn houtsnijwerk en gevelschilderingen. Wilde riviertjes doorsnijden malse groene weiden die verspreid in het berglandschap liggen. In de stad Paro – waar de enige internationale luchthaven ligt – rijden over de opvallend breed aangelegde weg enkele auto’s. Dat heet hier druk verkeer. Vrouwen in traditionele dracht staan voor kleine winkeltjes. De jeugd in jeans en T-shirt staat voor een computerwinkel. In de laatste jaren kan een groot deel van de naar schatting ruim achthonderdduizend Bhutanezen zich op verbinding met de rest van de wereld verheugen. De moderne tijd heeft langzaam, maar onhoudbaar zijn intrek genomen in het land. Sinds 1999 is er televisie en zijn er duizenden satellietontvangers met tientallen zenders in het land. Ook internet en mobiele telefonie hebben hun intrede gemaakt.

Traditie en natuurbehoud
Ondanks deze onvermijdelijke moderniteiten wil de regering echter vasthouden aan traditie en natuurbehoud. Zo staat ruim zeventig procent van het land onder natuurbescherming. De natuur verken je het best tijdens een trektocht met gids –al wandelend of met de mountainbike. Het beklimmen van bergen is verboden (daar wonen immers de goden en geesten) en het vellen van een boom zonder toestemming is net zo taboe als het vangen van een vis in een van de heldere beken of rivieren. Wat inkomsten betreft leunt Bhutan in toenemende mate op energie (elektriciteit) uit waterkrachtcentrales en toerisme. Bhutan produceert een overschot aan energie en exporteert dat naar India. Het opvallende is dat in de bergdorpen de meeste inwoners verstoken zijn van elektriciteit. De aanleg van infrastructuur hiervoor is eenvoudigweg te kostbaar. Sinds de jaren zeventig zet Bhutan steeds meer in op het toerisme. Aanvankelijk werden niet meer dan tweeduizend toeristen per jaar toegelaten, maar dat aantal is losgelaten. Wel is het toerisme nog altijd strak geregeld. Je kunt niet zomaar de grens over – alleen Indiase bezoekers mogen dat – en je trip moet georganiseerd zijn via een lokale reisagent. Je betaalt tweehonderd (laagseizoen) tot 250 Amerikaanse dollars per dag (hoogseizoen exclusief vliegticket) voor alle overnachtingen, maaltijden, transport en gids. Of je nu individueel reist of in een groep: de gids gaat mee. Niet zozeer om alles in de gaten te houden (je bent niet in Noord-Korea), maar meer om goede uitleg te geven over cultuur en natuur. Bhutanezen zijn trots op hun land en geven graag alle informatie. En als je een keertje zelf op ontdekking wilt in een dorp of stad vraag je de gids gewoon of-ie een paar uurtjes vrijaf neemt.

Onbevlekt en mysterieus
Onze gids draagt de traditionele kledingstuk gho. We gaan naar de hoofdstad Thimphu. Onze jeep ziet er robuust uit en boezemt vertrouwen in. Stoplichten kent Bhutan niet, wel ouderwetse verkeersagenten. Een smalle weg slingert door een dicht dennenwoud. Voor ons ligt het land dat vaak als onbevlekt en mysterieus wordt beschreven. We trekken de Dochu-la op, een pas van 3.140 meter hoog. Van duizenden bonte vlaggen waaien gebeden de hemel in en – alsof ze verhoord worden – trekt de hemel open. Een overweldigend panorama komt vrij. Op de voorgrond dichtbeboste bergen en daarachter de met sneeuw bedekte reuzen van de Himalaya-keten. Aan de horizon ligt Tibet. Vandaar kwam Guru Rinpoche in het jaar 746. Hij bracht het land de leer van Boeddha en is nu de beschermheilige van Bhutan. Op zijn profetie gaat de stichting van de Punakha Dzong terug. Bij het trefpunt van twee rivieren in het gelijknamige dorp geldt dit bouwwerk als een van de imposantste in het koninkrijk. De houten trap er naar toe is lang en steil. Uit de grote gebedshal dringt muziek door. Monniken in roestrode toga’s zitten op de houten vloer, slaan in een snel staccato op vlakke trommels en zingen daarbij eentonige mantra’s. Weer buiten moeten we even diep ademhalen. Een paar monniken die door het ondiepe water van de rivier waden en zo wat verkoeling zoeken, brengen ons weer met beide benen op de grond. Ze drukken op de toetsen van hun mobieltjes en amuseren zich kostelijk als we ze willen fotograferen.

Pure eenzaamheid
Bloeiende wilde rododendrons en magnolia’s omzomen de weg naar de Pele-la, een pas op 3.420 meter hoogte. Een paar ruige yaks sjokken in stoïcijnse kalmte over de pas. Aan de andere kant lokt hun lievelingseten. Een groen tapijt van dwergbamboe strekt zich uit tot in het dal. Daar zijn akkers aangelegd die bebouwd worden. Hier groeien aardappels op drieduizend meter hoogte naast boekweit, een van de belangrijkste voedingsmiddelen in Bhutan. De handel in agrarische producten zorgt voor de boeren in deze regio voor een goed bestaan. De oogst wordt over smalle kronkelende paden, te voet naar een markt getransporteerd. Hier en daar groepeert zich een handvol boerderijen tot een dorp. Na een tijdje wacht ons alleen nog pure eenzaamheid. In de smalle Mande Chu-canyon met een ruisende wild stromende beek in de diepte, is niets anders meer dan ondoordringbaar woud: een habitat van apen, beren, luipaarden en wilde katten.

Aardse paradijs
Een hel punt in de verte ontpopt zich tot een van de meest spectaculaire motieven op de route. Hoog op een vooruit stekende rotspunt troont de kolossale Trongsa Dzong over het ravijn. Het dorp erachter slingert zich op steile klippen om die sacrale vesting. Opnieuw schijnt de tijd opgelost. We rijden verder door een nog onberoerd berglandschap, passeren na een drie uur durende avontuurlijke rit de pas Yolong en beleven een moment van geluk. Voor ons ligt een lieflijk weids dal, zacht glooiend met grenen bossen op de toppen, kloosters en nederzettingen als witte stippen tussen vruchtbare akkers en smaragd groene weiden. Appelbomen bloeien en roodbont vee graast op de zojuist beschreven groene weiden. Een aanblik zoals de schrijver James Hilton in 1933 voor ogen gehad moet hebben toen hij in zijn boek Lost Horizon het aardse paradijs Shangri La beschreef. Zou dat Bhutan kunnen zijn? De toegetreden moderne tijd zal het leren.


Toeristen dienen te reizen met een Bhutanese reisorganisatie en betalen een vast bedrag van 250 Amerikaanse dollars per dag. In het laagseizoen (december-februari en juni-augustus) is het tarief tweehonderd dollars. De reis kan via een Nederlands, Belgisch of Bhutanees reisbureau geboekt worden en dient vooraf betaald te worden. De reis is altijd geheel verzorgd. Het niveau van de voorzieningen varieert, maar is meestal goed. Er is weinig invloed uit te oefenen op de hotelreservering, behalve wanneer je je in handen begeeft van de Aman-resorts. De luxe hotelgroep bezit onder de naam Amankora enkele lodges in hooggelegen dalen. Aman staat voor vreedzame plaats en Kora voor de terugkerende pelgrim. Aan die vreedzame plekken en terugkerende pelgrims hangt wel een fors prijskaartje van duizenden Amerikaanse dollars.

Voor Bhutan is een geldig paspoort vereist. In de doorgangslanden India, Nepal en Birma moet dat bovendien nog zes maanden geldig zijn na vertrekdatum. Wie een reis heeft geboekt, ontvangt het visum voor Bhutan bij aankomst op het vliegveld van Paro of bij de grensovergang met India.

De aanbevolen reistijd is maart tot mei en september tot november.

Kijk verder op www.tourism.gov.bt

 

 

 

Be the first to comment on "Bhutan buldert voort"

Leave a comment