Toneelbewerking van De tolk van Java – Kester Freriks

Toneelbewerking van De tolk van Java
‘Een oorlogsmisdadiger in de tropen leren begrijpen’

Slechts zelden is het publiek getuige van een theaterrepetitie. Repetities zijn voor de regisseur en de spelers heilig: liefst komt er niemand van buitenaf. Toch is het spannend te zien hoe een toneelvoorstelling ontstaat. Toeschouwers weten vaak niet dat een voorstelling maandenlange voorbereidingstijd vergt.

Achter de kantoren van Theaterbureau Hummelinck Stuurman aan de Amsterdamse Da Costakade repeteren vier acteurs en de regisseur aan de toneelversie van De tolk van Java, de nietsontziende roman uit 2016 waarmee Alfred Birney de Libris Literatuurprijs 2017 verwierf. Het script ligt op tafel. Zinnen worden gewogen, de ritmiek uitgeprobeerd, de muziekontwerper is ondertussen in de weer met gitaarakkoorden die zo uit de jaren zestig komen. Dit is lezen en interpreteren tegelijk. „Het boek is extreem gewelddadig,” zegt regisseur Olivier Diepenhorst, „het heeft zoveel kracht dat we er geen lightversie van kunnen maken, maar we moeten ervoor waken dat de toeschouwer niet na een uur murw is van al dat geweld. We moeten de balans vinden tussen de rauwe realiteit in het voormalige Nederlands-Indië én de zoektocht naar begrip daarvoor. Anders hebben we geen ontwikkeling.”
Hoe kunnen slachtoffers daders worden in een keten van geweld die de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan in tropisch Nederlands-Indië kenmerkte? Een van de eerste woorden die in de voorstelling valt is bersiap ofwel: ‘Geeft acht!’ en ‘Weest paraat!’ Dit was de oorlogskreet van de Indonesische nationalistische vrijheidsstrijders die vanaf augustus 1945 de blanke samenleving aanvielen; maar ook de Chinezen, de Molukkers en niet te vergeten de Indische Nederlanders die teveel aan de blanken gelieerd waren. Daarna kwamen de politionele acties, ook met vier jaar gruweldaden. In Birney’s boek beschrijft de zoon zijn extreem gewelddadige Nederlands-Indische vader Arto Nolan, bijgenaamd de Arend, die op zijn geweerkolf het aantal doden bijhield. Hij vocht aan Nederlandse zijde.


Martijn Apituley vertolkt de Arend. Nadat de spelers de tekst hebben gerepeteerd gaan ze ‘de vloer op’, zoals dat heet. Zoon Alan, in wie we Birney kunnen zien, wordt gespeeld door Benja Bruijning. Hij komt op met een enorme stapel papier en spreekt de eerste zin van de roman uit, één lange denderende woordenstroom over gewelddadigheid en slachtofferschap, die maalstroom waarvan zijn vader middelpunt was. Maar het ergste vond hij ‘… dat de hals van zijn gitaar brak’. Het viel Bruijning op, zoals hij na de repetitie zegt, „dat al die door de vader vertelde gruwelijkheden de constructie van een grap hebben”. En: „Ik wil de lichtheid van mijn rol benadrukken. Als je het te zwaar aanzet, raak je het publiek kwijt. Het mag geen geschiedenisles worden. Het boek is zo rijk, elke keer ontdekte ik weer nieuwe passages die ik er graag in had willen hebben. Het is fascinerend te zien hoe die zoon opgroeit met een totaal mesjokke vader die hij zelfs een ‘fascist’ noemt en een even volkomen doorgeslagen, babbelzieke moeder die zich voor niets interesseert, zelfs niet voor die ‘stinkoorlog’ van haar man.”
Volgens Marie Louise Stheins in de moederrol „is deze vrouw gefascineerd door het geweld dat haar man uitstraalt, ze voelt een erotische aantrekkingskracht. De man heeft een stoornis, is medeplichtig aan moord en wellicht marteling van mensen. Hij voedt hun kinderen gewelddadig op, met harde hand. De moeder beschermt hen niet; ze is slechts geïnteresseerd in haar eigen leven. En ze had blijspelactrice willen worden.”

Wat deze voorstelling van de spelers verwacht is dat ze bij zichzelf te rade moeten gaan om hun rol te doorgronden. Stheins denkt na over haar eigen moederschap en Martijn Apituley vraagt zich af „wat een oorlog met mensen doet”. Apituley: „Waarom staat deze getraumatiseerde man ondanks alles aan het hoofd van een gezin met een vrouw en vijf
kinderen? Hij wil zichzelf rechtvaardigen. Deze rol dwingt me na te denken over het vertolken van geweld. Ik zoek de harde kanten van mezelf op. Hoe speel je die nachtmerries waaraan hij zijn leven lang leed, en vooral: hoe kan ik me inleven in een man die zo keihard voor zijn kinderen was dat hij hen met de koppen tegen elkaar sloeg? Hij draagt, zoals iedereen die bij de politionele acties betrokken was, een rugzakje met trauma en tragiek.”

Alle betrokkenen zijn ervan overtuigd dat het noodzakelijk is dit verhaal te vertellen. Dat vindt ook Denize Aznam, de jonge actrice die de rol van grootmoeder speelt. Zij heeft Indonesische wortels. Als een mysterieuze geestverschijning loopt ze over de bühne, met lang donker haar dat bijna de grond raakt en gehuld in een wit gewaad. Ze stimuleert haar kleinzoon Alan het boek te schrijven waarmee hij al zijn leven lang worstelt; dit boek dus, De tolk van Java.
Aznam: „Mijn grootvader was Indo en hij had drie bioscopen op Sulawesi, dat maakte zijn positie gevaarlijk. Toen er Indonesische vrijheidsstrijders kwamen met kwade bedoelingen werd hij gered door zijn Indonesische moeder die zei: ‘De bioscoop staat op mijn naam.’ In de voorstelling zijn we getuige van superheftige dingen maar van mijn grootmoeder, die dus Indonesisch is, en moeder heb ik altijd sterke en ook enge verhalen gehoord, en die werden aldoor met gevoel voor humor en een grap weggelachen. Het is belangrijk dat we die humor ondanks alles bewaren.”

De tolk van Java naar de roman van Alfred Birney door Hummelinck Stuurman Theaterbureau. Bewerking: Ignace Cornelissen. Te zien t/m 16/2/20. Inl: www.toptheater.nl.


Alfred Birney: De tolk van Java. Uitg. De Geus, 544 blz. Prijs € 17,99
Alfred Birney schreef geregeld voor Archipel en EAST!

Schrijver Alfred Birney over de toneelbewerking van De tolk van Java:
„Verleden jaar zomer kwam Ignace Cornelissen naar Den Haag om met me te praten over de toneelbewerking. De oma-figuur intrigeerde hem zo zeer, dat hij oudere boeken van me nasloeg en de oma-figuur ontdekte in Vogels rond een vrouw (1991). Hij liet me weten dat hem een grotere rol voor de oma-figuur voor ogen stond, al wist hij nog niet precies in welke vorm. Er is lang aan het script gewerkt. Ik verbaasde me over de hoeveelheid zinnen die bijna letterlijk uit mijn roman zijn overgenomen, wat ik als een compliment beschouw.
Een paar weken voor de eerste try out op 6 november in Schouwburg de Meerse in Hoofddorp maakte ik kennis met Benja Bruijning, die met regisseur Olivier Diepenhorst naar Den Haag was afgereisd om het stuk door te spreken. We hadden een prettig onderhoud en het viel me op dat Benja echt diep in het boek zat, zo diep dat hij het steeds weer tevoorschijn haalde om met Olivier te bespreken of ze ook niet die en die zin erin moesten stoppen. Ik moest erom lachen, in verbazing, want het was kort voor de laatste repetities. Toen ik in een eerder stadium de trailer zag, die vlak na de casting werd gemaakt, moest ik lachen om Marie Louise Stheins… ze leek mijn eigen moeder wel! Ook mijn zusje zag onze moeder in haar terug.
Ik ben reuze benieuwd naar wat ze van mijn roman gemaakt hebben. Het moet een helse klus geweest zijn. Oliviers romanexemplaar ligt er intussen vol aantekeningen verwoest bij, alsof hij zich door de bladzijden heen gevreten heeft. Meer inleving kun je als auteur niet verwachten.”